Het Verhoor: Serge Baeken
3 mei 2020 


Onlangs konden we op Pulp deLuxe genieten van Parade, een kortstrip van Serge Baeken die ons terug katapulteerde naar zijn eigen jeugd. Tijd voor een interview dus! Serge vertelde ons meer over zijn artistieke familie en over zijn liefde voor Egon Schiele en David Bowie. Wie nog meer wil te weten komen raden we aan om de laatste Stripgids bij de hand te nemen. Daarin zit een katern in waar werkelijk *alles* staat wat je zou willen weten van hem.

door Veerle Devos

verhoor-serge2

(foto: Wim Carens)

Dag Serge! De eerste cliché-vraag die we meestal stellen bij beginnende tekenaars is: Stel jezelf eens voor. Bij jou moeten we dat niet direct gaan doen denk ik, maar is er iets dat we echt nog niet weten over jou?
Da’s een moeilijke vraag, want hoe kan ik weten wat jullie over mij weten? Wie mijn alfabet in de meest recente Stripgids heeft gelezen, weet inmiddels wel bijna alles, denk ik. Ik maak er een gewoonte van om zo weinig mogelijk geheimen te hebben. Dat is alleen maar ballast.

Ik maak er een gewoonte van om zo weinig mogelijk geheimen te hebben. Dat is alleen maar ballast.

Ik las in een vorig artikel dat je, tijdens je jonge jaren als tekenaar, ontelbaar veel jobs hebt uitgeoefend om het hoofd boven water te houden. Ergens stond er zelfs dat je ‘butler’ bent geweest. Dit maakte mij erg nieuwsgierig: hoe ben je op deze job gekomen en wat waren je ervaring als butler?
Dat ik butler ben geweest is grappig om te vermelden maar in werkelijkheid stamt dat uit een periode uit mijn leven waaraan ik liever niet teveel terugdenk. Psychisch zat ik in een soort Jan Arends episode, waarbij ik me overmatig serviel opstelde. Een megalomane mythomaan die mij altijd in zijn avonturen wist mee te slepen was een bedrijf begonnen dat waanzinnig dure stofzuigers aan de man bracht. Als butler was ik een tijdlang een radertje in zijn machine om de batterij telewerkers en verkopers te motiveren, die hij vanuit een reusachtig herenhuis met tuin een fata morgana van luxe voorspiegelde. Soms was ik er een decorstuk tijdens vergaderingen, in mijn Anatool-achtige outfit. Toen verzorgde ik er koffie en brunch voor iedereen.

Je komt uit een artistiek gezin: je vader Robert Baeken schrijft romans, je broer, Vitalski, is ook schrijver en performer. Hoe was het om op te groeien in een artistiek milieu?
Mijn vader schrijft nog steeds iedere dag. Hij heeft zonet deel drie klaar van een roman-trilogie, een vervolg op Het Verdriet van Turnhout. Hij is ook een kunstverzamelaar, muziekliefhebber en een bibliofiel, waardoor kunst als het ware deel uitmaakt van ons DNA, van onze ademhaling.

 

Ik had eens een stagiair die uit een volstrekt niet-culturele omgeving kwam. Ik vroeg hem mijn boeken en strips alfabetisch op auteur te ordenen. Toen ik kwam checken bleek dat hij alle boeken met de open kant (“de voorkant”) tot tegen de achterwand had geduwd. Het beeld van een bibliotheek waar alle boekenruggen op elkaar aansluiten was hem onbekend.
In kunst en cultuur gelden een hoop ongeschreven regels, stilzwijgende afspraken en artistieke tradities. Iemand die daardoor niet gehinderd wordt kan naakt zijn en beginnen, dat is in zekere zin een benijdenswaardige positie. Maar zijn jeugd zonder strips, boeken, sculpturen, schilderijen en muziek benijd ik hem niet. Het mooiste is toch ook wel dat hij besloot los te breken uit die achtergrond. Dat deed mijn vader ook, en daar heb ik veel bewondering voor.

Ik heb de perfecte jeugd gehad. Zo wild en vrij als ik maar wou, in velden rennend, in bomen klimmend, in zeeën zwemmend, in muziek en verhalen reizend. Mijn ouders hebben onze keuze voor het kunstenaarschap altijd gesteund en aangemoedigd. Als je ouders je graag zien en als het nest warm is, maakt het niet zoveel uit of je milieu artistiek is of niet.

We kennen jou van Pareltjes zoals Sugar, en Het Verdriet van Turnhout, maar blijkbaar heb je een verhaal liggen dat al een tijd bij je op de tekentafel ligt: een graphic novel over het werk en leven van Schiele. Kan je ons daar iets meer over vertellen?
Death and the Girl
, zoals dat boek gaat heten, of Het meisje en de Dood in het Nederlands, gaat over een poppenspeler wiens leven zeer gelijkloopt met dat van mijn favoriete tekenaar, Egon Schiele, met wie ik me een paar jaar op het obsessieve af vereenzelvigde. Ik maakte een tiental jaar geleden de eerste versie van deze metafysische biografie in de etalage van Mekanik strip. ’t Is te zeggen, na twee maanden en zo’n tweehonderd tekeningen kreeg ik er zicht op het boek dat ik ervan wil maken. Helaas lukt het me al jaren niet meer om voldoende onafgebroken tijd vrij te maken om het ook te voldragen. Zoals het er nu voorstaat, wordt dat het eerste waarmee ik me ga bezighouden na mijn eerste strip rond Circus Bulderdrang. Om de Meester wat bij te benen ben ik al wel enkele jaren aan het modeltekenen — bijna zesduizend schetsen, tot de Coronacrisis de sessies lam legde. Ik ben er ook mee begonnen Schiele boeken te verzamelen. Ik heb er een stuk of vijftig.

 

Naast je fascinatie voor Schiele, heb je ook een fascinatie voor David Bowie. Je was zelfs van een plan ook een verhaal over hem uit te tekenen. Wat trekt je zo aan in een extravagant figuur als David Bowie?
Dat plan staat nog steeds, hoor! Samen met scenarist Peter Moerenhout ga ik videostrips maken bij iedere song die op een officieel Bowie studioalbum is verschenen. ’t Is mijn pensioenplan.

 

Bowie — what’s there not to like?
Ik erfde mijn liefde voor David Bowie van een ex-lief met een uitstekende muzikale smaak. Dat was in 1982, vlak voor Let’s Dance. Ik beluisterde de mixtapes die ik van haar kreeg onafgebroken en raakte doordrongen van zijn prachtige stem, zijn intelligentie en de avontuurlijke, verhalende stijl van zijn songs. Hoe breed en diep hij ging met iedere nieuwe plaat, waarmee hij weer een heel andere wereld opende. Dat maakt hem artistiek heel interessant.

In de cinema raakten we gefascineerd door zijn verschijning — sommige mensen zijn zeldzame magneten. Op foto’s waar Bowie tussen veel volk loopt, zie je dat iedereen haast onvrijwillig wel naar hem moét kijken. Maar het moment dat ik echt verliefd op David Bowie werd, was toen ik de intro van zijn liedje Andy Warhol voor het eerst hoorde. Sinds die ontwapenende lach mocht Bowie van mij alles doen wat hij wilde. Ook de dieptepunten in zijn carrière fascineren mij, zijn minder goeie liedjes of zijn occasionele pedanterie.

Je publiceerde op Pulp deLuxe je stripverhaal Parade, de evocatie van een sterke jeugdherinnering. Vanwaar je fascinatie voor parades en circussen? Ik lees dat je ook bezig bent met Circus Bulderdrang, een boek over de opkomst en ondergang van een circus.
Ik heb geen fascinatie voor parades en circussen. Zelf voel ik er een lichte weerstand tegen, maar Circus Bulderdrang is een uitzondering. Deze stripreeks die ik samen met mijn broer Don Vitalski bedenk, is een grafisch vervolg op het gelijknamige anarchistische literaire theater dat hij leidde rond de eeuwwisseling. De personages die toen op het podium tot leven kwamen, laten we reïncarneren als stripfiguren in nieuwe verhalen.

 

Parade maakte ik voor het gelijknamig zine dat Literatuur Vlaanderen op de Boekenbeurs van Frankfurt produceerde. Ik dreigde de deadline niet te halen en leverde daarom een korter verhaaltje in. De strip op Pulp deLuxe voltooide ik pas onlangs, jaren later.

Toch één cliché-vraag: wat mogen we de komende 5 jaren van je verwachten?
Als alles goed gaat, maar dat gebeurt maar zelden, dan liggen deel 1 van De opkomst en ondergang van Circus Bulderdrang (80 pagina’s) en Death And The Girl (1000 pagina’s) in de winkel, alsook een aantal bundels die Uitgeverij Xtra van mijn grafische werk publiceert (telkens 400 pagina’s). En met wat geluk het eerste deel videostrips, geënt op de songs van het eerste Bowie-album.

Parade op Pulp deLuxe »
Profiel Serge Baeken »




Gerelateerde berichten