Drieëntwintig jaar geleden stond Steven Dupré mee aan de wieg van Pulp deLuxe. Intussen heeft hij zich teruggetrokken op een berg in Spanje, waar hij onder meer werkt aan de stripadaptatie van De Pilaren van de Aarde van Ken Follett. We troffen hem op het Stripsymposium in Brussel, waar we het hadden over de onlangs verschenen Nederlandstalige vertaling.

De Pilaren van de Aarde

Met De Pilaren van de Aarde waag je je aan een monumentaal werk van Ken Follett. Voor wie het boek niet kent: waarover gaat het in essentie?

Het boek is eigenlijk een turf van meer dan duizend pagina’s, uit de late jaren tachtig. Intussen is het al verfilmd tot een tv-serie door Tony en Ridley Scott, er is een videogame van gemaakt, een musical — die nog vrij recent in Madrid in première ging — maar er was nog altijd geen stripadaptatie.

Didier Alcante, de scenarist, heeft uiteindelijk zijn schouders onder dat project gezet. Het verhaal draait rond Tom, een bescheiden bouwmeester, eigenlijk een veredelde metser, die ervan droomt een kathedraal te bouwen. Dat speelt zich af in de middeleeuwen, rond het jaar 1200.

De weg naar die kathedraal is lang en zit vol politieke intriges, tegenwerking en machtsstrijd. Je krijgt een heel realistisch beeld van de spanningen tussen koning en kerk, en hoe de kleine man zich daar probeert staande te houden.

Het verhaal is een mix van genres. Naast een historische roman is het ook een familiesaga, met politieke intriges, thrillerelementen en zelfs iets van een bouwroman. Wat maakte het voor jou bijzonder genoeg om eraan mee te werken?

Ik ben vrij pragmatisch. Ik werk aan Kaamelott, maar als de scenarist daarvan plots andere dingen gaat doen — zoals films maken — dan valt dat stil. Dan moet ik zorgen dat ik iets anders achter de hand heb.

Met Pilaren van de Aarde heb ik ondertussen al drie delen afgewerkt, goed voor zowat zes klassieke albums. En er is nog altijd geen nieuw scenario voor Kaamelott.

Mijn carrière is geen rechte lijn geweest. Dat is vallen en opstaan.

Dus ik ben vooral blij dat ik aan iets kan werken. Dat had evengoed een ander project kunnen zijn. Maar het moest mij wel interesseren. En wat mij hier aantrok, is dat het middeleeuws is. Ik moet geen auto’s tekenen of saaie kantoorgebouwen. Dat is gewoon niet amusant.

Het boek werd al bewerkt tot tv-serie, musical, boardgame en videogame. Stripadaptaties werden jarenlang geweigerd door Ken Follett. Voel je dat als extra druk?

Niet echt. Dat hele proces om Follett te overtuigen is gebeurd vóór ik erbij kwam. Toen ik gevraagd werd om het te tekenen, was dat hoofdstuk al afgesloten. Dus die druk voel ik niet.

Het verhaal zit vol kathedralen, bouwplaatsen, massa’s personages en veldslagen, die allemaal heel gedetailleerd uitgewerkt moeten worden. Wat was technisch het moeilijkst aan deze reeks?

De architectuur, zonder twijfel. Om dat werkbaar te maken, heeft de zoon van Didier - een architect-ingenieur - een 3D-model gebouwd in SketchUp van de kathedraal, de abdij en het dorp errond.

Daardoor kan ik die omgeving vanuit elke hoek bekijken. Ik teken dat niet over, maar gebruik het als referentie. Natuurlijk moet ik nog altijd zelf perspectief corrigeren en dingen aanpassen, maar het helpt enorm. En ik vermoed dat het nog complexer wordt naarmate het verhaal vordert.

Je hebt ook in animatie gewerkt. Heeft dat invloed gehad op hoe je scènes opbouwt?

Eigenlijk niet. Ik werk zoals ik altijd gewerkt heb. Als een scenario goed geschreven is, zie je de scène al in je hoofd. Soms maak ik zelfs geen schets meer.

Dat wil niet zeggen dat het altijd meteen lukt. Soms moet ik meerdere keren opnieuw beginnen en kies ik uiteindelijk toch een andere invalshoek. Maar die animatie-ervaring speelt daar geen grote rol in.

De Pilaren van de Aarde

Je werkt opnieuw samen met Didier Alcante. Hoe verloopt die samenwerking? 

We kennen elkaar ondertussen door en door. Hij stuurt stukken scenario door, en ik werk daarop verder. Ik maak schetsen, die gaan terug naar hem en de uitgever, en daar kan nog feedback op komen.

Maar eens een pagina geïnkt is, ligt die vast. Dan wordt er niet meer aan geraakt.

We discussiëren soms, bijvoorbeeld over de indeling van pagina’s of het aantal prenten, maar dat is altijd in functie van het verhaal. Ik neem daar ook wel mijn vrijheid in. Als ik denk dat iets beter werkt als twee kaders in plaats van één, dan doe ik dat gewoon.

En als we twijfelen over historische details, dan hebben we een expert: Nicolas Ruffini-Ronzani, een specialist in de middeleeuwen. Die bezorgt ons zelfs visueel materiaal om dingen correct te tekenen, tot en met middeleeuws ondergoed toe.

Je woont sinds 2014 in Andalusië. Heeft dat je tekenwerk of je manier van tekenen veranderd?

Op mijn tekenstijl niet. Maar wel op de omstandigheden. In de zomer is het daar makkelijk meer dan veertig graden. Dus werk ik met ander papier, dat minder snel gaat golven door het zweet.

Ik werk ook met een doek onder mijn arm om te vermijden dat het papier nat wordt. Dat soort praktische dingen. Maar het tekenen zelf verandert niet.

Waarom ben je eigenlijk in Andalusië gaan wonen?

Voor het weer, simpel. Ik was in de veertig en had genoeg slecht weer gehad. En eigenlijk maakt het niet uit waar je werkt, zolang je een goede internetverbinding hebt. Alles gaat digitaal.

Je hebt bewust voor de Franse markt gekozen. Voel je je vandaag nog een Belgische tekenaar?

Ja, natuurlijk. Ik ben een Belg. Daar verander je niks aan. Ik voel me geen Spaanse of Franse tekenaar. Ik heb wel een internationaal publiek, en dat zijn toevallig vaak Fransen. Maar dat verandert niets aan wie je bent.

Toen je de Bronzen Adhemar kreeg, werd je expliciet geprezen voor je doorzettingsvermogen. Herken je jezelf daarin?

Ja, absoluut. Mijn carrière is geen rechte lijn geweest. Dat is vallen en opstaan.

Er is veel onzekerheid in dit beroep. In 2017 heb ik bijvoorbeeld tien maanden zonder werk gezeten. Dan moet je jezelf heruitvinden. Ik heb meer dan eens gedacht om te stoppen. Maar ik kan eigenlijk niks anders.

Dus je doet voort. En ja, dan moet je een doorzetter zijn. Anders haal je het niet.

Selkie

Je stond ooit mee aan de wieg van Pulp deLuxe, onder meer met de publicatie van Selkie. Hoe heb je de Vlaamse stripwereld zien evolueren?

Er komen voortdurend nieuwe mensen bij, nieuwe auteurs, nieuwe uitgeverijen. Ik kan dat niet meer allemaal volgen. Ik zit in Spanje, ergens op een berg, ik zie daar niemand.

Maar ik probeer het wel een beetje bij te houden. Als ik hier op het Symposium kom, herken ik veel namen, ook al heb ik niet alles gelezen. Je blijft toch een zekere voeling houden.

Hoe ver sta je met De Pilaren van de Aarde?

Ik ben bezig aan deel vier, en er komen er nog twee. Deel vijf wordt waarschijnlijk meer dan honderd pagina’s. Dus ik ben daar nog wel een paar jaar mee zoet.

Zijn er al plannen voor daarna?

Er ligt nog een project dat ik ooit begonnen ben vóór Pilaren van de Aarde, dat ik wil hernemen. Maar tegelijk krijg ik ook voorstellen van uitgevers.

Dan moet je keuzes maken. Ga je maanden werken aan een eigen project zonder zekerheid, of kies je iets dat al op tafel ligt? Dat is een afweging.

Je werkt vaak samen met scenaristen. Zijn er nog verhalen die je zelf wilt vertellen, zoals vroeger met Coma of Midgard of Sarah & Robin?

En al die Wolfjes! Ja, maar het is moeilijk. Je steekt daar enorm veel tijd in - scenario, tekeningen, dossier - en dan zegt een uitgever: ‘Dit is niks voor ons.’ Dat is ontmoedigend.

Tegelijk word ik nu vaak zelf benaderd voor projecten. Dan is het verleidelijk om gewoon te kiezen uit wat aangeboden wordt. Dat is comfortabeler.

Ik zal het ooit nog wel eens doen, maar het heeft geen haast.

 

De Pilaren van de Aarde #1 - De Droom van de Bouwmeester telt 104 pagina’s en werd uitgegeven door Standaard Uitgeverij.