Rani De Prée is een vertrouwde naam voor wie Pulp deLuxe volgt. Eerder publiceerde ze kortstrips op onze site, waaronder Dubio en Boven de Onderwereld de shortlist van De Plastieken Plunk haalden, en gingen we al eens met haar in gesprek. Intussen bouwde ze, met een achtergrond in Graphic Storytelling (LUCA School of Arts) en een master Schrijven (RITCS), verder aan een eigenzinnig en gelaagd oeuvre.

Met Lucien voegt ze daar een intrigerend en visueel beklijvend beeldverhaal aan toe. We spraken met haar over dood, verbeelding en de zoektocht naar betekenis.

‘Lucien’ vertelt de intrigerende geschiedenis van een jongeman met een bijzondere gave, of eerder een vloek: mensen en dieren sterven wanneer hij hen aanraakt. Wanneer zijn ogen beginnen te gloeien, is dat het teken dat iemands dood nabij is. Hoe ben je tot dit verhaal gekomen?

Ik heb altijd een voorliefde gehad voor boeken, films en schilderijen die thema’s als dood en verlies verkennen, liefst op een onconventionele of eigenzinnige manier. Als kind was ik dan ook dat ‘rare’ meisje dat zich te veel met de dood bezighield en er eindeloos vragen over stelde.

Toen ik ontdekte dat de dood ook antropomorf werd voorgesteld, zoals bij Magere Hein, was ik meteen gefascineerd. Door de dood een gezicht te geven, kon ik hem beter bevatten. Wat me wel altijd stoorde aan die personificaties, was hun stoïcijnse karakter. In Lucien heb ik de dood daarom voorgesteld als een gewone, zoekende en ietwat sullige mens. Dat maakt het voor mij een stuk interessanter.

Rani De Prée - Lucien

Veel beeldende elementen uit Lucien zijn bovendien samenraapsels uit mijn jeugd. Ik groeide op op en rond een kasteeldomein. Als kind vond ik dat geen fijne omgeving: het was er donker en af en toe vloog er een vleermuis voorbij. Eén van de weinige plekken waar ik me veilig voelde, was de keuken. Daar hingen drie olieverfschilderijen op doek, die doorliepen over drie muren. Ze vertelden het verhaal van een vrouw die op bezoek ging bij rondreizende zigeuners. Er werd gedanst onder de maan en de sterren, en de vrouw liet zich meevoeren door hun nachtelijke magie.

Als kind was ik dat ‘rare’ meisje dat zich te veel met de dood bezighield en er eindeloos vragen over stelde.

Aan het RITCS was het mijn opdracht om een organische samenhang te vinden tussen al die beelden en ideeën. Een plotselinge ‘big bang’ van inspiratie was er dus niet. Wat volgde, waren talloze herschrijvingen en experimenten. Hoe krijg ik de Dood op een logische manier naar dat kasteel tussen de sterren? Wat gaat hij daar doen? Wat is er aan de hand? Waarom moet hij daarheen? Wat wil hij, en hoe zal hij dat krijgen?

Het verhaal speelt zich, op het slot na, af in de 19e eeuw. Waarom heb je voor die tijdssetting gekozen?

De 19e eeuw leent zich uitstekend voor een gothic novel. Je leest weleens dat mensen in de Victoriaanse tijd niet terugschrokken voor de dood, maar dat kwam vooral omdat ze geen keuze hadden: de dood was overal aanwezig. Veel kinderen haalden hun vijfde verjaardag niet en wie 25 was, werd in zekere zin al als middelbaar beschouwd.

Om met dat alomtegenwoordige verlies om te gaan, ontwikkelden mensen allerlei rituelen: post-mortemfotografie, glazen doodskisten, theatrale rouwetiquettes, zelfs het opgraven van overledenen om hun kleren te verwisselen. Die praktijken klinken voor mij als de natuurlijke leefwereld van Lucien.

Lucien vraagt zich af: “Is dit alles? Wat is er nog meer?” wanneer het over de dood gaat. Zijn dobbelstenen hebben bovendien maar één zijde die niet blanco is: daarop staat een doodskop. Naarmate het verhaal vordert, ontdekt hij dat er meer betekenissen mogelijk zijn.

Om het heel cliché te zeggen, maar soms mag dat, voelt hij zich op dat moment eindelijk vrij om zijn leven zelf vorm te geven. Voor het eerst laat hij zich niet langer uitsluitend definiëren door de dood. Hij is niet meer geïsoleerd van de wereld; de leegte in hem wordt gaandeweg ingevuld.

De symbolen op de verschillende zijdes van de dobbelstenen verwijzen dan ook naar de zes hoofdstukken van het verhaal. Ze representeren telkens een sleutelmoment waarin Lucien als personage evolueert.

Caelesta, die het eeuwige leven heeft, bloedt op een bepaald moment, terwijl Lucien nergens bloedt. Wat wil je met dat contrast duidelijk maken?

Lucien en Caelesta zijn op veel vlakken elkaars tegenpolen. In zekere zin draaien alle scènes die ze samen delen om die contrasten, en om de manieren waarop ze die proberen te overbruggen.

Het al dan niet bloeden is daar één element van, maar ik denk niet dat je dat los van de rest van het verhaal bevredigend kunt verklaren. Het maakt deel uit van de evoluerende relatie tussen mijn personages en krijgt pas echt betekenis door de plaats die het inneemt in het geheel, én door de interpretatie van de lezer.

De dood bevindt zich, zoals Caelesta zegt, in ‘het middelpunt’. Waarom net daar, in het centrum?

Mount Doom ligt diep in Mordor. De bankkluizen in Ocean’s Eleven bevinden zich ver onder de grond. Van Jules Verne tot Mission: Impossible: het onbereikbaar maken van een einddoel is een beproefde verteltechniek. Hoe moeilijker het is om ergens te raken, hoe meer personages zichzelf onthullen wanneer ze het toch proberen.

Een deel van het antwoord is dus eenvoudig: om het Lucien extra lastig te maken. Maar er is ook een thematische laag. Door naar het middelpunt van het kasteel te trekken, komt hij dichter bij zijn eigen essentie, zijn eigen middelpunt.

Je boek biedt geen antwoorden op wat er na de dood komt. Wanneer Caelesta het aan Lucien vraagt, moet hij het antwoord schuldig blijven. Hoe belangrijk was het voor jou om dat mysterie te bewaren?

Het was voor mij essentieel om hier bewust geen antwoord op te geven, en het daarbij te laten. Buiten die ene vraag heb ik er in Lucien expliciet voor gekozen om het hiernamaals niet te verbeelden, hoewel ik besef dat dat visueel sterke scènes had kunnen opleveren. Maar wat zou ik daar uiteindelijk mee bereiken?

Er bestaan ontelbaar veel theorieën over wat er na de dood gebeurt, en die roepen volgens mij vaker frustratie op dan geruststelling. Wie heeft er ’s nachts niet eens liggen piekeren over wat er hierna komt? Zodra je begint te speculeren over een voortbestaan of een bewustzijn na de dood, raak je al snel verstrikt in abstracties die eerder benauwen dan verhelderen.

Misschien is het minder spectaculair, maar als je helder wil vertellen of nadenken over de dood, geloof ik dat je het best bij ‘de dood’ zelf blijft. Daarom vond ik het belangrijk dat zelfs een personage dat de dood personifieert, daar geen antwoord op kan geven.

Heeft je opleiding aan het RITCS ervoor gezorgd dat je je stripscenario’s anders bent gaan schrijven? Zo ja, op welke manier?

Toen ik afstudeerde aan LUCA had ik nog nooit gehoord van personagebogen, inciting incidents, set-ups of het verschil tussen wants en needs. Storytelling maakte toen nog geen deel uit van het curriculum. Ik studeerde af als een sterke beeldende verteller, maar zonder bewust narratieve keuzes te maken.

Mijn docenten raadden me aan om een schakelopleiding te volgen aan het RITCS. Daar heb ik ondervonden dat beeldverhaal en scenarioschrijven twee totaal verschillende ambachten zijn. Goed kunnen tekenen en visueel vertellen maakt je nog geen goede scenarist. Tijdens mijn opleiding heb ik bijna drie jaar niet getekend, om me volledig toe te leggen op het schrijven.

In het eerste jaar ging dat verrassend goed en ging er een nieuwe creatieve wereld voor me open. Vanaf het tweede jaar, de masterfase, begon ik het beeldende vertellen echter te missen. Ondanks mijn bijna smeekbedes om mijn verhaal gewoon te mogen tekenen, hielden de docenten voet bij stuk: ik moest loskomen van mijn gecondenseerde beeldtaal. Dat frustreerde me toen enorm, maar achteraf begrijp ik hun keuze.

Ik maakte het mezelf bovendien niet makkelijk door met een complex verhaal als Lucien als masterproef aan de slag te gaan. Ik heb erg opgezien tegen het schrijven van het scenario, maar door door te zetten en het tekenen tijdelijk los te laten, heb ik geleerd om narratief te denken. Ik ben me veel bewuster geworden van mijn schrijfkeuzes.

Toch zie ik mezelf nog altijd in de eerste plaats als beeldend kunstenaar eerder dan als scenarist, en ik denk dat je dat in Lucien ook voelt.

Met welke projecten ben je momenteel bezig?

Op dit moment ben ik vooral nog druk bezig met de promotie van Lucien. Er zit zeker een nieuw project aan te komen, maar het lukt me voorlopig nog niet om voldoende rust in mijn hoofd te vinden om er echt aan te beginnen.

Via deAuteurs heb ik me aangemeld voor een schrijversresidentie later dit jaar. Mocht ik geselecteerd worden, dan hoop ik daar de nodige ademruimte te vinden om me volledig op dat nieuwe verhaal te concentreren. Het zal minder complex en meer ‘down to earth’ zijn dan Lucien, al blijf ik thematisch wel in dezelfde sfeer.

Idealiter werk ik samen met een scenarist, al moet ik toegeven dat ik erg kieskeurig ben als het op verhalen aankomt.

 

Lucien telt 208 pagina’s en werd uitgegeven door Menlu.