Grensgebied: Koenraad Tinel over Scheisseimer
27 november 2023 


“Schoon weggetje, hé,” lacht Koenraad Tinel, terwijl we naar de lange modderige weg kijken die de straat met zijn oude kasteelhoeve verbindt. Je moet er iets voor over hebben om op een regenachtige dag naar het Pajottenland af te zakken, maar dat is klein bier met wat hij moest meemaken tijdens zijn kinderjaren in Duitsland.

door Bruno Willaert.

 

Tweehonderdveertig tekeningen bevat die nieuwe versie van Scheisseimer, het boek waarin Koenraad Tinel zijn verhaal vertelt hoe hij als zesjarig kind van een nazigezinde familie in Gent de Tweede Wereldoorlog beleefde en na de oorlog naar Duitsland vluchtte. De eerste versie van het boek verscheen in 2009, de nieuwe versie zag onlangs het licht bij uitgeverij Oogachtend.

Scheisseimer is een volledig herziene versie van het gelijknamige boek van bijna vijftien jaar geleden, dat toen ook een theaterstuk was. Wat is er gewijzigd? Ben je tot nieuwe inzichten gekomen?

De informatie over wat ik meegemaakt heb is duidelijker verwoord, door brieven te lezen die ik niet kende, door gesprekken met mensen, door herinneringen die opgerakeld werden en ook door inbreng van anderen, … Ik heb er vooral over nagedacht wat er precies allemaal gebeurd is.

Ik vind het zeer belangrijk om te mogen en te kunnen twijfelen.

De eerste versie was iets te slordig naar mijn zin. Ik had mijn verhaal vooral getekend, terwijl ik niet aan de tekst dacht. Iemand zei toen dat ik mijn verhaal moest schrijven, waarop ik zei dat ik dat niet kon en alleen kan tekenen. Die zei dan dat ik het dan maar moest tekenen. Dat is de eerste Scheisseimer geworden. Aan de hand van die tekeningen heb ik het verhaal losweg verteld aan Wim Vangrootloon, een journalist van de VRT. Die tekst is dan, met wat hulp van David Van Reybrouck, in dat boek gezet, maar dat was gewoon spreektaal, onvolledig, niet chronologisch, … en mij stoorde dat een beetje.

Er waren ook dingen die ik iets anders, duidelijker wou zeggen. Daarom heb ik die nieuwe editie gemaakt met Oogachtend die vollediger is. Er zijn dertig tekeningen bij gekomen en ook de tekst staat juister en chronologischer.

Betty Galinsky, mijn pianolerares die voor mij heel belangrijk was, heb ik er ook aan toegevoegd. In de eerste versie komt ze maar kort aan bod. Dat kwam ook door mijn vriendschap met Simon Gronowski, die ik pas na die eerste Scheisseimer leren kennen heb. Dat is vruchtbaar geweest voor de nieuwe versie, en ook het feit dat ik graag teken. Ik ben tekenaar. Ik teken iedere dag. Als ik niet in mijn beeldhouwatelier zit, zit ik hier.

 

Er zijn veel tekeningen bij gemaakt voor het nieuwe boek?

Ik heb er een aantal tekeningen bij gemaakt, om alles beter te duiden, maar ook oudere tekeningen die ik al voor de eerste Scheisseimer gemaakt had, eraan toegevoegd. Uiteindelijk heb ik heel mijn leven wel eens teruggegrepen naar de miserie van die oorlogsperiode.

In negen hoofdstukken doorlopen we de periode van 1940 tot 1946 vanuit jouw kinderogen met de Scheisseimer, of schijtemmer, uit de titel, die je het grootste deel van het verhaal meezeult. Hoe kwam je erbij om die als metafoor te gebruiken van je boek?

Wel, we waren altijd op de vlucht, een keer hier slapen, een keer ginder slapen, een keer in de bossen zitten, een keer bombardementen, … Op een dag vond ik in het Thüringer Woud, op een vuilnisbelt, een toiletemmer en nam die mee. Ik toonde die aan mijn vader en herinner me dat hij zei dat hij er nog goed uitzag. Hij heeft die mooi uit gekuist en uiteindelijk heeft die emmer gans de reis dienstgedaan, tot terug in België. Gevangengenomen, in kampen gezeten, … die emmer was er altijd bij. Hij hing in mijn atelier aan de muur, toen ik in Gooik woonde.

Op een keer was ik mijn atelier aan het opruimen en ik wou heel wat zaken weggooien, onder andere een oude zetel. Ik gooide het allemaal op mijn aanhangwagen, met die emmer erbij. Destijds bestond er nog geen containerpark. Er was een vuilnisbelt in een bos en daar werd alles in brand gestoken. Ik zette die zetel en alle andere dingen daar en pakte die emmer en zette die in de zetel. Ik keek er nog eens naar, draaide me om en reed naar huis.

 

’s Anderendaags vervloekte ik mezelf dat ik die emmer weggedaan had. Ik ben teruggekeerd, maar hij was verdwenen. Die emmer had belang en geen belang, maar ik vond dat een mooi leidmotief, es ware eine scheisse, zoals men zegt, c’est une merde. Ik vond dat symbool van die Scheisseimer wel passen voor dit verhaal.

Je vader was in de jaren dertig, als oorlogsveteraan, in de ban van het “edel fascisme” van Joris Van Severen van de Dietsche Nationaalsolidaristen. Toen de Duitsers België binnenvielen was het vooral feest bij jullie thuis. Hoe kijk je nu terug op je vader in die periode?

Ik begrijp niet hoe hij daar ingetrapt is. Hij was een veteraan van de Eerste Wereldoorlog en kwam uit een bourgeois milieu met muzikanten. Hij sprak even goed Frans als Nederlands. Hij is bij de Jezuïeten naar het college geweest, waar ze afwisselend les kregen in het Frans en het Nederlands. Qua talen had hij geen probleem. In de familie werden twee talen gesproken, maar vooral Nederlands.

Als Joris Van Severen bij ons thuis kwam sprak hij Frans, zoals al die chique Vlamingen in dat milieu. Mijn vader flamingant? Ik weet het eigenlijk niet. Hij was vooral een overtuigde nazist en een Jodenvreter, waarbij ik niet kan begrijpen waar hij dat gehaald heeft. Die mens heeft een gelukkige jeugd gehad. Hij had niks om over te klagen. Ja, ik begrijp het niet. Het is pijnlijk hoor, zoiets.

 

Wanneer had je zelf door dat je vader fout was tijdens de oorlog?

Ik heb dat altijd met rare ogen bekeken en geluisterd naar de discussies van mijn vader en mijn broers. Mijn broers waren tien jaar ouder en ik vroeg me altijd af waar ze mee bezig waren. Als ik dan probeerde vragen te stellen was het altijd van “Snotneus, wat kent gij ervan? Hou maar je mond. Kruip maar in je hoek.” En ik was al niet degene die het wist. Mijn familie wel. Ze hadden altijd gelijk. Ik had nooit gelijk. Ik twijfel altijd in het leven en ik vind dat zeer belangrijk om te mogen en te kunnen twijfelen, want al die overtuigde mensen, tja.

Je oudere broers moesten tijdens de oorlog strijden aan het Oostfront. Denk je dat je een ander leven zou gehad hebben, moest je heel wat ouder geweest zijn bij het begin van de oorlog?

Ik vraag me af of ik ook niet in de pas ging moeten lopen, onder invloed van papa. Als je jong bent heeft papa altijd gelijk. Papa weet alles, is de sterkste, de schoonste, de slimste.

Ik heb toch nog vlug ingezien dat hij raar bezig was en dat ik daar niet akkoord mee kon gaan. Ik kon met hem niet discussiëren. In het begin wist ik daar niks van. Wij lazen geen kranten die daarover gingen. Daar werd over gezwegen en als ik een keer iets vroeg over al de Joden die ze vermoorden was zijn antwoord “Komaan, er lopen er nog zoveel rond”. Als je er dan verder op inging was het “Zwijgt gij. Ge hebt hier niks te vertellen. Je weet er niks van. Heb jij dat meegemaakt? Nee? Awel, zwijgt dan.” En op den duur zwijgt ge, maar je denkt er wel het uwe van.

 

De landing in Normandië was voor je familie slecht nieuws, waardoor jullie “even” naar Duitsland gingen.

Ja, efkes (lacht).

Ik zeg wellicht niks nieuws dat de scènes die volgen in je boek gelijkenissen vertonen met de Oekraïense vluchtelingen van vandaag.

Ik denk daar voortdurend aan. Ik zie en hoor voortdurend taferelen waarbij ik denk: “ja, dat is mijn verhaal”.

De periode in Duitsland was hevig met bombardementen van de geallieerden, de komst van de Russen, hongersnood, je hebt verschillende malen moeten vluchten. Er is ook een schrijnende scène in het boek van een man in uniform die stond te pissen met zijn kop tegen de muur. Familie kwijt, huis gebombardeerd, vrouw met een ander… Wat deed dat met jou als prille tiener?

Dat zijn taferelen waarvan ik er honderden gezien heb. Ik heb zes maanden lang ondergedoken geleefd in Bamberg na de oorlog. We waren gevlucht uit de Russische zone naar die stad waar we gans de winter meegemaakt hebben. Er was daar een groot station, waar de treinen van het oosten aankwamen met al die soldaten. Dat waren niet allemaal SS’ers. Dat waren gewoon soldaten, die moesten soldaat zijn, sukkelaars eigenlijk. Die kwamen terug uit Rusland en zwermden uit in die stad. Je kan je die beelden niet voorstellen, de miserie die ik daar gezien heb.

 

Toch was het voor jou niet allemaal kommer en kwel en kon je je ook uitleven op het platteland.

Voordien heb ik ongeveer negen maanden op het platteland gewoond, waar ik heel gelukkig was. Ik was een stadsjongen en droomde ervan om boer te zijn. In mijn familie zit er nog geen halve boer. Het waren allemaal intellectuelen, artiesten, advocaten en dokters. Ik mocht bij die boer werken, de stallen uitmesten en tussen de beesten lopen. Ik was daar zo gelukkig, tot wanneer de Amerikanen dat dorpje in brand staken en daarna de Russen. Die waren vriendelijk tot wanneer de speciale troepen kwamen, en dat was natuurlijk miserie.

Bij de thuiskomst viel de familie uiteen. Je vader en een paar broers moesten de gevangenis in, jullie huis was geplunderd.

Wij waren alles kwijt. In die tijd een bank, dat was niet zoals nu. Nu heeft iedereen een bankrekening. Mijn moeder had haar geld thuis liggen en we woonden in een enorm groot herenhuis met een grote tuin. De dag dat we gevlucht zijn, ging ze dat huis kopen. Ze heeft dat geld meegenomen en afgegeven aan de Reichsbank. Ze was het allemaal kwijt.

We waren ons huis kwijt en alles was leeggeplunderd. We hadden niks meer na de oorlog. Mijn moeder is herbegonnen op twee kamertjes met mijn zus en ik.

Je vader is snel vrijgekomen.

Hij was een held van de Eerste Wereldoorlog. Hij heeft geluk gehad.

Hoe was je relatie na de oorlog met je vader en je broers?

Dat is moeilijk om te zeggen. We waren familie. Hij was mijn vader, mijn broers waren mijn broers, maar ik zag mijn familie weinig of niet, omdat ik altijd een ambetant gevoel overgehouden heb tegenover mijn familie. Vooral omdat ze niet konden zeggen dat ze verkeerd waren. Nee, zij waren negationisten tot en met. Dat vind ik zeer erg en daar heb ik echt pijn van. Dat gaat niet weg, ik draag dat tot in mijn graf. Ik ben dan wel een ouwen patat, dus dat zal niet lang meer duren (lacht).

 

Is het dat wat je zegt in die laatste zin van je boek, “Ik zal nooit in het reine komen met dit verhaal”.

Dat is een feit. Met Simon Gronowski heb ik het kunnen uitpraten. Hij kan zijn verhaal doen en zeggen wat goed en slecht was en ik ook.

Ik vertel het in mijn boek dat mijn vader met een rare kwiet met een pendel boven een foto van Hitler ging om te zien of hij nog leefde, waarbij je je afvraagt waar hij mee bezig was.

Verhalen over de collaboratie komen de laatste jaren wel vaker bovendrijven. Er was de reeks Kinderen van de collaboratie op Canvas, Wil van Jeroen Olyslaegers, De Draaischijf van Tom Lanoye, … Is de nood vandaag groter om die verhalen te vertellen?

Ik denk dat het een zeker belang heeft, gezien wat er weer allemaal gebeurt in de wereld. Ik ben in zekere zin een beetje fatalistisch als ik zeg: “het herbegint toch altijd”. Ik las onlangs een spreuk die zegt: “Quand il n’y a pas de solution, c’est qu’il n’y a pas de problème”. En ergens, de wereld bewijst het telkens weer, de wreedaardigheid, de smeerlapperij en het winstbejag. Het is droevig.

 

Over je werk, je bent zowel beeldhouwer als tekenaar?

Dat loopt door elkaar. Hier heb ik kleine werkjes liggen, in mijn atelier staan allemaal grote werken. Ik exposeer regelmatig. Ik ben beeldhouwer. Mijn studie was beeldhouwen, maar tekenen ligt daarbij en dat ligt aan de basis van iedereen die beeldende kunst doet. Ik ben wel een tekenaar. Ik ben daarmee begonnen toen ik drie jaar was en ik ben blijven tekenen. Ik heb altijd een moment dat ik hier met dat boekje daar zit, zelfs als ik naar de televisie kijk ligt dat boek in de schoot en teken ik dingen die in mijn hoofd opkomen. Ja, ik ben echt een geboren tekenaar, maar ik ben ook beeldhouwer. Ik ben echt de twee, maar oorspronkelijk was ik dus pianist. (lacht)

Tekenen is belangrijk voor mij. Daarom ook dat ik mijn verhaal getekend heb. Tekenen is een middel van mededelen. Mijn sculpturen zijn er niet zomaar, ik heb een verhaal. Ik heb iets wat ik wil zeggen, al is het soms een beetje absurd en een beetje zot, maar dat is wat ik kwijt wil.

Heb je nog plannen voor nieuw werk?

Oogachtend is geïnteresseerd in mijn werk. We zullen nu zien wat dit boek hier brengt, maar ik heb nog verhalen die ze interesseren. Ze kunnen natuurlijk niet in één keer al mijn werk gaan uitgeven. Kijk, al die boeken die daar liggen, dat zijn allemaal geïllustreerde verhalen.

Ik ben zeer geboeid door alles wat oude verhalen van de wereld zijn: sprookjes, mythen, sagen, … Dat boeit mij geweldig en er zijn er hopen die ik geïllustreerd heb, maar dat zijn dus geen strips.

Scheisseimer telt 304 pagina’s en werd uitgegeven door Oogachtend.

Bestel Scheisseimer »
Website Koenraad Tinel »




Vorig artikel
Het Verhoor: Myilln
Volgend artikel
How To Organize A Zine Fair?



Gerelateerde berichten

GRID: de jury

GRID: de jury

23 april 2024 
0




More Story

Het Verhoor: Myilln

"One day soon, I'm gonna tell the moon about the crying game". Mijn gedachten dwalen even af naar de gelijknamige film...